De overgangsbepalingen van de technische regelgeving in de binnenvaart

Onbekend maakt onbemind
Dit geldt ook voor de overgangsbepalingen van de technische regelgeving in de binnenvaart. Sommige ondernemers in de binnenvaart denken dat er nieuwe technische eisen zijn of komen, anderen vrezen dat de afloop van sommige overgangsbepalingen het einde van het bedrijf betekent, doordat de investeringen die moeten worden gedaan om aan de eisen te voldoen, niet in verhouding staan tot de waarde van het schip.
Brancheorganisaties informeren de leden al geruime tijd over deze materie, zodat ondernemers er in de bedrijfsvoering tijdig rekening mee kunnen houden. Toch blijkt er veel onduidelijkheid te zijn over deze materie. Onbekend maakt onbemind, hoog tijd voor begrijpelijke en basale informatie. Hierbij wordt niet uitgegaan van een ingewikkelde materie, echter van de geschiedenis en de bedoeling van de overgangsbepalingen in de regelgeving.

Geschiedenis
Eind 2000 is de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) begonnen met de herziening van alle destijds 139 (!) overgangsbepalingen in het Reglement Onderzoek Schepen Rijn (ROSR). De CCR heeft onderzoeksbureau VBD uit Duisburg indertijd een inventarisatie laten uitvoeren van alle bestaande overgangsbepalingen: hoeveel schepen maken er gebruik van, welk veiligheidsrisico ontstaat hierdoor en wat zijn de aanpassingskosten per schip om alsnog aan het betreffende voorschrift te voldoen. Op basis van dit VBD-onderzoek en het gedetailleerde commentaar daarop van het gezamenlijke Europese binnenvaartbedrijfsleven heeft de CCR in het voorjaar van 2003 een concreet voorstel voor herziening van de overgangsbepalingen opgesteld. Na uitvoerig commentaar van het Europese binnenvaartbedrijfsleven zijn de nieuwe overgangsbepalingen in de CCR-najaarszitting van 2003 definitief aangenomen. Bijna alle opmerkingen van de binnenvaartsector zijn overgenomen in het uiteindelijke besluit.

Bedoeling
Voor schepen zijn bouwvoorschriften en eisen in de technische regelgeving vastgesteld. Voor bestaande schepen zijn voor een groot aantal eisen overgangsbepalingen vastgesteld. Voor iedere overgangsbepaling is een einddatum vastgesteld. Deze einddatum hangt samen met de uitvoerbaarheid van de eis. Wanneer er, om aan een eis te kunnen voldoen, een grote inspanning en/of hoge kosten zijn verbonden, is de afloopdatum van de overgangsbepaling op een langere termijn vastgesteld. Het doel hiervan is om bestaande schepen gedurende een periode verder te kunnen laten varen, zonder risico’s m.b.t. veiligheid en milieu.

Technische regelgeving, één systeem
De afgelopen jaren is er in Europa en de CCR veel gesproken over en gewerkt aan de harmonisatie van de technische voorschriften voor binnenschepen in Europa. In december 2006 is de Technische Richtlijn 2006/87/EG (RiLi) aangenomen. In deze Richtlijn zijn de technische voorschriften voor binnenschepen op de EU-vaarwegen in overeenstemming gebracht met de voorschriften op de Rijn. De EU-lidstaten hebben tot 30 december 2008 de tijd om de Richtlijn 2006/87/EG in hun nationale wetgeving te implementeren, waarna de nieuwe voorschriften daadwerkelijk van kracht worden. In Nederland is deze Richtlijn geïmplementeerd in de Binnenvaartwet en vanaf 30 december 2008 van kracht. Met de harmonisatie van de technische voorschriften voor binnenschepen in heel Europa is een belangrijke stap gezet. Na 30 december 2008 zullen in heel Europa grotendeels dezelfde technische eisen aan binnenschepen van toepassing zijn. Een ander belangrijk voordeel is dat binnen het Europese systeem de rechtsbescherming van de individuele ondernemer transparant is geregeld.

Eenvoudig of ingewikkeld?
We gaan dus uit van één systeem, namelijk de Technische Richtlijn 2006/87/EG, vanaf nu RiLi te noemen. In deze RiLi zijn de diverse overgangsbepalingen verdeeld over de Richtlijn en de bijlagen. Dit kan het ingewikkeld maken. Wat is wanneer voor wie van toepassing? Een eenvoudige en logische benadering is vanuit de bestaande situatie van het vaartuig en de bedoeling van de regelgeving. Een valkuil is om direct te gaan naar de uitwerking van de overgangsbepalingen in de bijlagen. Het is zaak te beginnen bij het begin. Voor de beeldvorming: in 27 artikelen, op ca. 8 pagina’s, is de basis van de regelgeving geformuleerd. De uitwerking staat in diverse bijlagen op ca. 250 pagina’s tekst. Beginnen bij het begin.

Toepassing overgangsbepalingen
Uitgangspunt is de bestaande situatie. Welk certificaat is er? Dit is informatie op hoofdlijnen, de drie belangrijkste zijn:
Groep 1. Rijncertificaat, dit is hetzelfde als een Communautair Certificaat met toegang tot de Rijn.
Groep 2. Communautair Certificaat zonder toegang tot de Rijn.
Groep 3. Geen of uitsluitend nationaal Certificaat (bijvoorbeeld passagiersschepen, recreatievaart > 20m en drijvende werktuigen).

Voor groep 1. is in eerste instantie artikel 3 van de RiLi van toepassing.
De overgangsbepalingen voor bestaande vaartuigen worden genoemd in hoofdstuk 24 van Bijlage II.
Voor schepen waarvan de kiel gelegd is op of voor 01-04-1976 geldt artikel 24.03.
Voor schepen met een geldig certificaat van voor 01-01-1995 geldt artikel 24.02.
Voor schepen met een geldig certificaat van na 01-01-1995 geldt artikel 24.06.


Voor groep 2. is in eerste instantie artikel 13 van de RiLi van toepassing.
De overgangsbepalingen voor bestaande vaartuigen worden genoemd in hoofdstuk 24a van Bijlage II.
Voor bestaande schepen waarvan de kiel gelegd is voor 01-01-1985 geldt artikel 24a.03.
Voor bestaande schepen waarvan de kiel gelegd is na 01-01-1985 geldt artikel 24a.02.


Voor groep 3. is in eerste instantie artikel 8 van de RiLi van toepassing.
Er zijn geen overgangsbepalingen in de RiLi opgenomen. Het is de bedoeling dat het blijft zoals het was, dat wil zeggen zoals het nationaal geregeld was. Hierbij is het in artikel 8 van de RiLi geformuleerde van belang!

Voor de groepen 2. en 3. geldt dat, wanneer men een Communautair Certificaat met toegang tot de Rijn wil verkrijgen, aan de eisen in artikel 24.06 van bijlage II moet worden voldaan.

 

Zijn er knelpunten?
Diverse overgangsbepalingen uit hoofdstuk 24 van Bijlage II van de RiLi lopen af in 2010 en 2015. Nu deze data naderen, komen vanuit de sector signalen van ondernemers, met name van kleinere schepen, die wijzen op terughoudendheid om in de aanpassingen te investeren en daarmee in feite afkoersen op sloop. Dat heeft alles te maken met de mogelijk hoge kosten, de marktwaarde van het schip en waar het oudere ondernemers betreft, het nabijgelegen einde van de eigen onderneming. Voor een categorie schepen waarin nieuwbouw op de korte en wellicht middellange termijn niet te verwachten is, vindt het bedrijfsleven dit een zeer ongewenste ontwikkeling. Tegelijkertijd is aanpassing van die schepen aan de huidige stand der techniek en milieueisen gewenst. Daarom hebben binnenvaartbrancheorganisaties een document met knelpunten opgesteld (RV/G (08) 19) en aan de CCR aan geboden. In dit document wordt vooral voorgesteld om alternatieven toe te staan die hetzelfde doel dienen.

Wat zijn de gevolgen?
Hoewel de sector over het algemeen goed uit de voeten kan met het systeem van overgangsbepalingen, heeft het voor een individuele schipper wel gevolgen. Hierbij is het van belang in kaart te brengen wat deze gevolgen zijn, bijvoorbeeld door een proefcheck te laten verrichten door een deskundige. Hierbij zou het uitgangspunt moeten zijn dat modernisering van de bestaande vloot niet bedreigend is. Enige vorm van koude sanering is nooit de bedoeling geweest. Dit neemt niet weg dat tijdig anticiperen een must is. De aanstaande afloop van de termijnen van diverse overgangsbepalingen is een feit.

Wat zijn de mogelijkheden?
Juist omdat het nooit de bedoeling is geweest om individuele ondernemers onnodig te duperen, is in de RiLi, in artikel 24.04, lid 4 de volgende tekst opgenomen: “Indien de toepassing van de in dit hoofdstuk genoemde bepalingen na afloop van de overgangsbepalingen in de praktijk moeilijk uitvoerbaar is of onevenredig hoge kosten met zich brengt, kan de commissie van deskundigen op grond van aanbevelingen van de CCR of het comité afwijkingen van deze voorschriften toestaan. Deze afwijkingen moeten in het communautair binnenvaartcertificaat worden aangetekend”. Het principe van overgangsbepalingen is dat op termijn aan de regels wordt voldaan. Alleen als in redelijkheid niet kan worden voldaan, kan de Commissie van Deskundigen afwijkingen toestaan. In de dagelijkse praktijk is in dergelijke gevallen tot nu toe altijd een oplossing gevonden. De procedures blijven op dit punt onveranderd. Het blijft dus de verantwoordelijkheid van de ondernemer om aan te tonen dat er sprake is van onevenredig hoge kosten. Hierbij is te denken aan een kosten-baten-analyse. Het blijft ook de verantwoordelijkheid van de ondernemer om aan te tonen dat het schip aan de regelgeving voldoet.

Een laatste overweging voor ondernemers zou kunnen zijn om af te zien van een Rijncertificaat, ofwel een Communautair Certificaat met toegang tot de Rijn. De afloop van de overgangstermijnen van een Communautair Certificaat zonder toegang tot de Rijn, genoemd in hoofdstuk 24a van Bijlage II varieert van 2024 tot 2049.


Voor nadere informatie kunt u bij het CBRB terecht.

 

Rotterdam, september 2008, Centraal Bureau voor de Rijn- en Binnenvaart, Lijdia de Groot

Ga naar boven