Nieuwsbrief 2018 - 08


Februari 2018 - CBRB nieuwsbrief Nr. 08

Het CBRB is de toonaangevende werkgeversorganisatie voor alle sectoren in de binnenvaart en vervult een strategische rol.

Inhoudsopgave:

  1. Wijziging Beleidsregel Binnenvaart 2013
  2. Lessons learned van de Onderzoeksraad voor Veiligheid
  3. Groei containervervoer, forse toename transshipment
  4. Alcohol- en drugstesten toegestaan?
    Wat kan de werkgever met het resultaat van die test?
 
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
 

Wijziging Beleidsregel Binnenvaart 2013

Op 1 februari 2018 is met deze publicatie in de Staatscourant de Beleidsregel Binnenvaart 2013 aangepast. Voor uw bedrijfsvoering en planning van de certificering van uw schepen is deze wijziging van belang.

Wijziging en verruiming tijdsperiode droogzetting en veiligheidsonderzoek

Het droogstaande onderzoek en het veiligheidsonderzoek vinden plaats in het jaar voorafgaand aan de vervaldatum van het certificaat van onderzoek. De tijdsperiode waarbinnen de droogzetting en het onderzoek voor verlenging van het certificaat kan plaatsvinden is verruimd van 3 maanden naar een jaar. Dit geeft ondernemers meer gelegenheid om de onderzoeken op een geschikt moment in hun bedrijfsvoering in te plannen. Hierbij wordt ook aangesloten bij de termijn die in het ADN gehanteerd wordt voor het Certificaat van goedkeuring.
 
Indien de droogzetting langer dan een jaar (tot maximaal twee jaar) voor de afloopdatum van het certificaat plaatsvindt wordt de ingangsdatum van het nieuwe certificaat vastgesteld op de datum van de droogzetting. Dit blijft ongewijzigd.
 

Toepassing overgangsbepalingen

Het wordt niet langer toegestaan dat schepen waarvan het certificaat verlopen is, gebruik maken van overgangsbepalingen als ware er sprake geweest van ononderbroken certificering. Om aanspraak te kunnen maken op overgangsbepalingen volgens Hoofdstuk 24 en 24 a van het ROSR 1995 en bijlage II van de Richtlijn 2006/87/EG, moet het schip voorzien zijn van een geldig certificaat.
 
Voor de motivatie van deze wijziging verwijst de overheid in de toelichting naar deze uitspraak in hoger beroep van de Raad van State van 5 maart 2014. Daarin wordt – voor een niet Zone-R-schip – gesteld dat de overgangsbepalingen volgens Bijlage II van de Richtlijn 2006/87/EG van toepassing zijn op reeds in bedrijf zijnde vaartuigen en dat een schip zonder de vereiste geldige certificaten niet in bedrijf kan zijn.
 
Verdere onderbouwing voor de gewijzigde aanpak baseert de overheid op de op 8 oktober 2018 in werking tredende nieuwe regelgeving (zie ook dit eerdere artikel in een CBRB-Nieuwsbrief). Volgens de Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen (ES-TRIN) geeft voor zone R in artikel 32.01 aan dat overgangsbepalingen alleen toegepast mogen worden als er een geldig certificaat aanwezig is.
 

Overgangsperiode tot 1 februari 2020

Het op deze wijze toepassen van het recht op overgangsbepalingen is nieuw. De overheid vindt het daarom redelijk om een overgangsperiode toe te staan tot 1 februari 2020. Indien eigenaren vóór deze datum een aanvraag indienen voor hercertificering van hun schip, en het certificaat van dat schip op het moment van aanvraag niet langer dan één certificaatperiode is verlopen, kan nog aanspraak worden gemaakt op overgangsbepalingen als ware er sprake van ononderbroken certificering.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Naar boven

 

Lessons learned van de Onderzoeksraad voor Veiligheid

De dodelijke twaalf, of beter bekend als de deadly dozen.
(Bron: Onderzoeksraad voor Veiligheid / Maritime and Coastguard Agency)
Twaalf van de meest voorkomende mens gerelateerde risicofactoren zijn samengevat en te zien in de bovenstaande figuur, ook wel bekend als de dodelijke twaalf. Ondanks het feit dat iedereen deze risico’s kent, komen ze toch vaak voor. 
Bijgaande treft u een rapportage aan ”Rapportage ongevallen scheepvaart”, waarin verschillende ongevallen door de Onderzoeksraad voor Veiligheid zijn onderzocht.
Hoewel het hier voornamelijk ongevallen aan boord van zeeschepen betreft, zijn er een aantal ongevallen uitgelicht die ook voor binnenvaart relevant zijn.
Denk hierbij o.a. aan elektrocutie, gevaren bij hijsen & heffen, beknelling door bewegende delen en overboord vallen.
 
De Onderzoeksraad stelt dat algemene, niet sector gebonden risicofactoren in de praktijk de meeste ongevallen veroorzaken waarbij vermoeidheid één van de grootste risicofactoren is.
Het menselijke aspect en “de dodelijke twaalf menselijke risicofactoren” worden op pagina 2 t/m 4 in het rapport uiteengezet.
Voor mee informatie kunt u terecht op de website: www.onderzoeksraad.nl, Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. of telefoon: 070 - 333 70 00

Naar boven

 

Groei containervervoer, forse toename transshipment

De aanvoer van goederen in containers was in de eerste drie kwartalen van 2017 gemiddeld 13 procent hoger dan in dezelfde periode in 2016. Transshipmentvervoer, het doorvoeren van de geloste containers naar andere zeehavens buiten Nederland, nam met bijna 30 procent toe. Deze goederenstroom zorgde hiermee voor bijna twee derde van de groei van het totale containervervoer in de eerste drie kwartalen van 2017. Dit meldt het CBS op basis van nieuwe cijfers.

De totale goederenoverslag in Nederlandse zeehavens nam in de eerste drie kwartalen van 2017 met ruim 2 procent toe. De aanvoer en afvoer van containers was goed voor een vijfde deel van het totaal overgeslagen gewicht in de Nederlandse zeehavens.

Steeds groter deel containeroverslag is transshipment

In de eerste drie kwartalen van 2017 werd in totaal ruim 46 miljoen ton aan goederen in containers aangevoerd in de Nederlandse zeehavens; 5,4 miljoen ton meer dan in dezelfde periode van 2016. Ruim twee derde van deze groei van de containeroverslag, bijna 4 miljoen ton, werd gerealiseerd in transshipment, de overslag van containers naar andere zeeschepen die verder varen naar andere buitenlandse zeehavens. Het aandeel van dit transshipment in de totale aanvoer van containers nam hierdoor toe tot 37 procent.

Deze vorm van doorvoer is zeer concurrentiegevoelig. De uitwisselbaarheid van containerhavens voor transshipment is groot, omdat de bestemming van deze containers niet gebonden is aan het achterland van een zeehaven. De containeroverslag in Nederland vindt voor meer dan 99 procent plaats in het havengebied Rotterdam. Transshipment vormt een derde deel van de totale containeroverslag in de haven en geeft het belang aan van de doorvoerfunctie van de Rotterdamse haven. Rotterdam is een aantrekkelijke haven voor deze vorm van doorvoer, vanwege de goede toegankelijkheid voor grote containerschepen, beschikbare terminalcapaciteit en de combinatie die rederijen hier kunnen maken met achterlandstromen van containers. Voor deze vorm van overslag is havengeld verschuldigd voor zowel het lossen als het laden van de containers.

Wat zit er in de transshipment containers?

De belangrijkste lading bij de transshipment containers vormen goederen uit de productgroep hout en textiel. Een op de vijf transshipmentcontainers bevat dit soort goederen, in tonnage is het aandeel zelfs 30 procent. In de Rotterdamse haven worden containers met hout uit Finland, Rusland en Zweden overgeslagen met bestemming China. Ook containers met voedingsmiddelen, met name vlees en (bevroren) vis, worden vaak via Rotterdam over zee doorgevoerd. In 2016 werd een op de vijf transshipmentcontainers met voedingsmiddelen verscheept naar Rusland.

Oud papier in transshipmentcontainers naar China

Bij het verschepen van afvalproducten in containers komt naar verhouding veel transshipment voor. Van alle containers geladen met afvalproducten is 43 procent transshipment. Het grootste deel van deze containers bevat (gebruikt) papier en karton. Vanuit het Verenigd Koninkrijk, Ierland, Noorwegen, Canada en Portugal worden deze goederen naar China en in mindere mate naar India en Sri Lanka verscheept. Containers vol oud papier gaan van Europa naar China. China heeft per 1 januari 2018 een importverbod voor verschillende afvalsoorten ingesteld.

Bronnen

 

Alcohol- en drugstesten toegestaan?
Wat kan de werkgever met het resultaat van die test?

Deze blog gaat over alcohol- en drugstesten op de werkvloer, in samenhang met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). De AVG zal per 25 mei 2018 in werking treden. De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) vervalt en wordt vervangen door een Uitvoeringswet AVG. Aanleiding voor de blog is de onrust die is ontstaan door het Uniper-rapport van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) over de vraag of onder de huidige wetgeving drugs- en alcoholtesten zijn toegestaan, zo ja, onder welke voorwaarden en, niet onbelangrijk, of de resultaten van de testen gebruikt/verwerkt mogen worden.

Het is van belang op te merken dat deze vragen niet specifiek door de nieuwe wetgeving en de verordening (AVG) in het leven worden geroepen, maar dat deze op grond van de huidige privacywetgeving (Wbp) reeds actueel zijn. Overigens wordt het testen op medicijngebruik en het registeren van gegevens over medicijngebruik veelal onder dezelfde noemer geschaard. In dit verband wordt ook wel de afkorting MDA gebruikt: ‘medicijnen, drugs en alcohol’.
 

Mag de werkgever een alcohol- en/of drugstest laten afnemen bij een werknemer?

De eerste vraag is of een werkgever een alcohol- en/of drugstest bij een werknemer mag afnemen, al dan niet nadat de werknemer bij de arbeidsovereenkomst of bij wijze van afzonderlijke toestemming zijn instemming met deze test heeft gegeven. 

In het arbeidsrecht is de praktijk ontwikkeld dat de werkgever mag testen, mits er een duidelijk en proportioneel gerechtvaardigd beleid is ontwikkeld en bekend is gemaakt bij de werknemers. Veelal is de verplichting tot testen voorzien van uitgebreide randvoorwaarden. Denk daarbij aan het door externe controleurs laten testen. Dit ziet zowel op het steeksproefsgewijs testen als het testen bij een concreet vermoeden van misbruik.

Dit beleid kan worden getoetst door de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). Zij heeft het beleid van Uniper onderzocht. Het onderzoek duurde twee jaar en werd in het najaar van 2016 afgerond. Een van de vragen was of Uniper drugshonden mocht inzetten bij de controles, welke vraag de AP negatief beantwoordde. Andere vragen gingen over de toelaatbaarheid van het registreren van medicijngebruik (de gele stickers). 

Het venijn van de conclusies van de AP zit in haar beoordeling van de tweede vraag inzake de drugs- en alcoholtesten:
 

Mag de werkgever de testresultaten gebruiken?

De tweede vraag gaat over de verwerking van de gegevens van het testen. Als de werkgever niets mag doen met de testgegevens heeft het testen immers weinig nut. 

Het is op dit vlak dat de privacyregelgeving om de hoek komt. Immers, het verwerken is, zo blijkt uit het Uniper-onderzoek, aan strenge beperkingen onderhevig. 
 

Zijn de resultaten van drugs- of alcoholtesten 'gegevens over de gezondheid'?

De AP stelt zich uitdrukkelijk op het standpunt dat onder de huidige (en de nieuwe regelgeving) een uitslag van een alcohol- of drugstest in de meest gevoelige gegevenscategorie valt, namelijk die van de gegevens over de gezondheid. Het resultaat van de test bevat informatie die is verkregen aan de hand van biologisch materiaal en ook informatie bevat over iemands fysiologische staat. 
Niet relevant is of het iets zegt over de gezondheid van de werknemer, anders dan Uniper onder verwijzing naar onder meer de Belgische opvatting over de aard van de testgegevens aanvoerde. Dat iemand op een willekeurige dag alcohol gebruikt heeft, zou volgens deze opvatting niets zeggen over zijn algemene gezondheidsgraad, maar zou een tijdelijke situatie weergeven. Dat argument wordt dus verworpen door de AP.

De conclusie is dat een uitslag van een alcohol- of drugstest valt onder de wettelijke bepaling van “gegevens over de gezondheid”.
 

Het verwerken van de gezondheidsgegevens op grond van de wet en de AVG

Voor het verwerken van dat soort informatie gelden strikte privacyregels. Deze regels en de uitzonderingen blijven onder de nieuwe regels van de AVG (zie ook de artikelen 22 lid 2 en 30 van het wetsvoorstel Uitvoeringswet AVG) merendeels ongewijzigd.

Als uitgangspunt geldt dat het de werkgever verboden is om dergelijke gegevens te verwerken.

Er zijn, zoals gezegd, diverse uitzonderingen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de situatie waarbij verwerking van deze gegevens noodzakelijk is voor de re-integratie en begeleiding van zieke werknemers. Deze uitzondering is echter sterk beperkt en gaat niet verder dan bijvoorbeeld het verwerken van informatie over het verpleegadres en de verwachte duur van het ziekteverzuim. 
Deze uitzondering ziet dus niet op informatie over de vraag of iemand onder invloed van alcohol en/of drugs verkeerde op het moment van een test.

Uniper beriep zich op de uitzondering van artikel 23 sub d Wbp, namelijk het algemeen belang. 
Die stelling wordt van tafel geveegd. De frustratie van Uniper sijpelt door in haar antwoorden op de voorlopige oordelen van de AP: geen argument helpt om de AP te overtuigen van nut en noodzaak van het mogen verwerken van de gegevens. Het feit dat Uniper energiecentrales exploiteert, en dat het algemeen veiligheidsbelang toch vergt dat werknemers kunnen worden getest en de uitslagen kunnen worden gebruikt, is bij gebreke van een wettelijke basis volgens de AP onvoldoende.
De AP haalt hierbij aan dat als dit veiligheidsbelang speelt, de uitzondering op het verbod de gegevens te verwerken op een wet moet berusten. Verwijzen naar de geldende Arbowetgeving helpt niet, omdat in die wetgeving niet staat dat de werknemers zich moeten laten testen. Uniper stelt dat zij hiermee in de knel komt, omdat zij wel voor een veilige werkomgeving moet zorgen op grond van de Arbowet. Dat zij zo, maar de wetgever had dan maar bij wet moeten regelen dat de werknemer verplicht is zich te laten testen, aldus de AP. Dit is bijvoorbeeld wel in de Wet luchtvaart geregeld voor piloten.

Voorts beriep Uniper zich op de uitdrukkelijke toestemming die de werknemer verleent door de in het bedrijfsreglement opgenomen testbeleid te accepteren, of door ter plekke de controleur uitdrukkelijk toestemming te geven in geval van vermoedens van misbruik. Ook dat pleidooi vond geen gehoor. Uitdrukkelijke toestemming verleend door de werknemer is inderdaad de uitzondering waarvan veelal aangenomen werd dat dit de werkgever in staat stelde niet alleen te testen, maar met de uitkomsten ervan het nodige te doen. Denk aan het geven van een ontslag op staande voet als een werknemer onder invloed van drugs of alcohol was. De civiele rechters plegen, onder omstandigheden, dergelijke testresultaten mee te wegen als rechtsgeldig bewijs van een dringende reden. 
Zie voor een recente uitspraak het arrest van het Gerechtshof Den Haag, 17 januari 2017. Uit de tekst van de uitspraak blijkt niet dat de ontslagen werknemer, die het ontslag vergeefs aanvocht, argumenten inzake de Wbp en de geldigheid van de alcoholtest heeft gebruikt.

Het is de vraag of die rechtspraak zal kunnen standhouden indien de verwerking van de testuitslagen wordt aangevochten met een beroep op de Wbp/AVG. 
De AP concludeert namelijk in de Uniperzaak, zonder dat zij enige ruimte lijkt te bieden voor praktische oplossingen, dat de schriftelijke toestemming van de werknemer tijdens dienstbetrekking per definitie niet vrijelijk, dus zonder druk wordt verleend. Het uitgangspunt van de AP is dat de werknemer, als hij instemt, steeds niet vrijelijk instemt. Dit ligt aan de ongelijke machtsverhouding tussen werknemer en werkgever. Die ongelijke verhouding kan niet door contractsbepalingen of schriftelijke instemming worden doorbroken. 
Nu is hiermee nog niet gezegd dat de civiele rechter in een arbeidsconflict de wellicht in strijd met de Wbp/AVG verkregen testresultaten terzijde zal leggen. De leer van de vrije bewijslevering die in het civiele recht geldt, laat zeker ruimte voor de rechter om onrechtmatig verkregen bewijs toch te accepteren en zijn beslissing mede daarop te laten steunen. Deze ruimte wordt verschillend benut. De rechtbank Noord-Holland  bijvoorbeeld oordeelde in 2014 dat beelden verkregen via onrechtmatig cameratoezicht toch meegewogen mochten worden bij de bewijslevering, en wel 'vanwege het algemeen belang'. De analogie met het argument dat Uniper tegenover de AP vergeefs aanvoerde dringt zich op. De AP wilde immers de uitzondering van het algemeen belang niet toepassen, bij gebreke van een wettelijke grondslag voor het verplicht testen.

Relevant is ten slotte dat bij wet en AVG is vastgelegd dat wanneer de toestemming voor het testen wordt ingetrokken, de verwerking direct moet worden gestaakt, terwijl de toestemming net zo gemakkelijk moet kunnen worden ingetrokken als zij gegeven is.
 

Wat betekent dit nu in de praktijk?

Allereerst is duidelijk dat ook al zou een test mogen worden afgedwongen door de werkgever, de verwerking van het resultaat behoudens strikte uitzonderingen is verboden. Van de wettelijke uitzonderingen is niet snel sprake. Dit geldt niet alleen voor ‘ad random’ testen, maar ook voor testen die worden afgenomen op grond van een redelijk vermoeden van drugs- en alcoholbezit/gebruik.

In de reacties op het Uniper-onderzoek wordt geschreven dat de werkgever reeds onder de huidige regelgeving de uitkomst van de testen niet zou mogen gebruiken. Dan heeft het testen zelf ook geen zin, zo kan met reden worden betoogd, en dat is voor de industrie en werkgevers een onacceptabele uitkomst. Een werknemer die onder invloed van drugs is kan al rijdend, varend of achter de beeldschermen in de petrochemische industrie immers aanzienlijke schade, letsel en andere ellende veroorzaken.

Onzeker is in hoeverre de arbeidsrechter een testresultaat, verkregen na een niet toegestane alcohol- of drugstest, toch als bewijs meeweegt in een civiele procedure tussen werkgever en werknemer.

Overtreding van de verboden uit de AVG kan de overtreder intussen wel op forse boetes komen te staan.

Het wachten is op een reactie van de politiek: de kwestie heeft inmiddels voldoende aandacht getrokken, maar volgens de geleerden is er een wetswijziging nodig om het de ondernemers die te maken krijgen met stringente veiligheidsmaatregelen, bijvoorbeeld in de petrochemische sector, mogelijk te maken hun beleid op het gebied van het testen en het verwerken van de uitkomsten voort te zetten. Actie van de overheid is nodig. 
Uit het verslag van 31 januari 2018 ter voorbereiding op de plenaire behandeling blijkt vooralsnog echter niet dat het parlement bekend is met de roep uit het bedrijfsleven tot aanpassing van de regelgeving.
Deltalinqs heeft intussen voor de Rotterdamse terminal- en havenondernemers een werkgroep in het leven geroepen die streeft naar ontheffing van het beleid voor toegang op haventerreinen. 

Wij zullen de ontwikkelingen met belangstelling volgen.

Frits Bienfait, Van Dam & Kruidenier advocaten
 

Bronnen:

Voor wie zich verder wil verdiepen in de AVG staan hieronder enige weblinks: 

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Van Dam & Kruidenier

Naar boven

 
 
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
 
Centraal Bureau voor de Rijn- en Binnenvaart 
Vasteland 78 | 3011 BN  Rotterdam | tel:010-7989800
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. | www.cbrb.nl

Uitschrijven uit de nieuwsbrief.
 Copyright © *|CURRENT_YEAR|*, Alle rechten voorbehouden.
CBRB medewerkers en leden handelen volgens de CBRB Complianceregeling Mededinging.
*|REWARDS|* 
Ga naar boven