Nieuwsbrief 2011 - 05

In dit nummer:

  1. Verplichtstelling Bedrijfspensioenfonds op de tocht
  2. Rijnvaartlanden sluiten overeenkomst over sociale zekerheid
  3. Verdiepingsstudies knelpunten overgangsbepalingen (deel 1)
  4. Richtlijn strafvordering tarieflijst waterzaken binnenvaart
  5. VIHB-regeling
  6. Richtlijn voor Strafvordering varen onder invloed
  7. Brede steun Parlement voor Innovatieagenda maritieme sector
  8. Belang brandstofclausule en CBRB-gasoliecirculaire
  9. Energielijst 2011 gepubliceerd
  10. Beperking ontmoeten en voorbijlopen Geldersche IJssel
  11. Overleg Binnenvaart met Havenbedrijf
  12. Onduidelijkheid over reactivering VERS-regeling
  13. ADN Handboeken 2011 - 2012 nu leverbaar
  14. CBRB Themabijeenkomst op 10 mei 2011 ‘Het CAO-debat’
  15. Vergadering CBRB OPTO en aansluitend EBIS Scheepseigenarenbijeenkomst Nederland/België
  16. Arie Kraaijeveld benoemd als voorzitter Transitiecomité

 


 

Verplichtstelling Bedrijfspensioenfonds op de tocht

De verplichte deelname aan de pensioenregeling van het Bedrijfspensioenfonds (Bpf) voor de Rijn- en Binnenvaart komt mogelijk over twee jaar te vervallen. Dit is een gevolg van het feit dat te weinig werkgevers in de binnenvaart lid zijn van een werkgeversorganisatie. Naast het CBRB kunnen CBOB, ONS en Rijn & IJssel als werkgeversorganisatie gelden; werkgevers die als 'contractant' zijn aangesloten bij Kantoor Binnenvaart (KB) kunnen daarvoor niet worden meegeteld omdat deze organisatie niet beschikt over een statutaire vertegenwoordigingsbevoegdheid.
 
Representativiteitstoets
Op verzoek van de sociale partners is in 1981 een zogenoemde verplichtstellingsbeschikking tot stand gekomen, een besluit van het ministerie van SZW waarmee deelname aan de pensioenregeling van het Bpf verplichtgesteld werd voor alle werknemers in de Rijn- en binnenvaart. Sinds een wetswijziging in 2000 heeft het ministerie de mogelijkheid om periodiek te toetsen of er nog wel een voldoende 'draagvlak' bestaat voor een verplichtstelling. Daarbij geldt hetzelfde 'toetsingskader' als bij het algemeen verbindend verklaren van CAO-bepalingen: aangetoond moet worden dat ten minste 55 procent van de werknemers in dienst is van de georganiseerde werkgevers.
Eind 2010 heeft het Bpf aan het ministerie opgave van de representativiteit moeten doen. Hiervoor is gebruik gemaakt van het vorig jaar ten behoeve van de bedrijfstak-CAO verrichte representativiteitsonderzoek. Er moest daarbij evenwel rekening gehouden worden met het feit dat de werkingssfeer van de verplichtstelling beperkter is dan die van de CAO: de verplichtstelling geldt - evenals de destijds bestaande CAO - alleen voor 'vrachtvaart'; de werkingssfeer van de CAO is later uitgebreid tot 'andere dienstverlening'. Als gevolg hiervan kon het Bpf slechts een representativiteit van 45 procent aantonen. In een bekendmaking in de Staatscourant heeft het ministerie inmiddels aangekondigd dat de representativiteit van het Bpf binnen twee jaar opnieuw zal worden getoetst.
 
Verhoging organisatiegraad werkgevers
Het is duidelijk dat er voor de werkgeversorganisaties in de binnenvaart, willen zij de verplichtstelling in stand kunnen houden, een grote uitdaging in het verschiet ligt: de organisatiegraad van werkgevers zal substantieel verhoogd moeten worden. Het CBRB werkt daarom hard aan een plan dat in de loop van dit jaar moet worden uitgevoerd. Onderdeel daarvan is onze themabijeenkomst 'Het CAO-debat' op 10 mei, die elders in deze Nieuwsbrief wordt aangekondigd.
 
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met de heer mr. M.J.M. (Michiel) Koning.

Naar boven

 


 

Rijnvaartlanden sluiten overeenkomst over sociale zekerheid

Eensgezind lobbywerk van de organisaties van werkgevers en werknemers in de binnenvaart, waarbij het CBRB een voortrekkersrol speelde, heeft een resultaat opgeleverd: België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Nederland hebben een overeenkomst gesloten over de sociale zekerheid van Rijnvarenden. De overeenkomst is gebaseerd op artikel 16 van de EU-verordening 883/2004 (EG) betreffende de coördinatie van sociale zekerheidsstelsels en geldt met terugwerkende kracht tot 1 mei 2010.
 
Er is nu duidelijkheid gecreëerd over de zogenoemde aanwijsregels, die bepalen welk sociale zekerheidsrecht van toepassing is in de internationale Rijnvaart. Qua inhoud blijven de aanwijsregels, die ontleend zijn aan het Verdrag betreffende de Sociale Zekerheid van Rijnvarenden, ongewijzigd: de vestigingsplaats van de feitelijke exploitant van een schip blijft bepalend. Ook in Zwitserland blijven de bestaande regels van kracht, aangezien dit land integraal vasthoudt aan het Rijnvarendenverdrag.
 
Veiliggesteld is nu, althans in de Rijnvaartlanden, dat alle medewerkers aan boord van een schip onder dezelfde wetgeving vallen. Dat betekent echter niet dat wij nu op onze lauweren kunnen rusten. De afgelopen jaren is ook duidelijk geworden dat de nieuwe verordening onvoldoende is toegesneden op alle vormen van internationaal transport en dus ook op EU-niveau nadere uitwerking behoeft. Ook in dat kader zal een binnenvaartspecifieke regeling, maar dan voor alle EU-lidstaten, getroffen moeten worden. De nu gesloten overeenkomst kan daarbij vanzelfsprekend als uitgangspunt dienen.
 
Voor nadere informatie kunt u contact opnemen met de heer mr. M.J.M. (Michiel) Koning.

Naar boven



Verdiepingsstudies knelpunten overgangsbepalingen (deel 1)

Het CBRB heeft deelgenomen aan verdiepingsstudies over knelpunten die te verwachten zijn door het aflopen van overgangsbepalingen. Gesproken is over arbeidsveiligheid, elektra, leefruimtebepalingen, investeringsvermogen kleine schepen, geluid, lichtdoorlaatbaarheid ruiten stuurhuizen, aanvaringsschot, ankers en ankernissen.
Doel van de verdiepingsstudies was om een inzicht in de problematiek, de toepassing en voorwaarden van de hardheidsclausule te krijgen. Per onderwerp werd na analyse van de hoogte van het risico en van de kosten een oplossingsrichting besproken.
 
In de periode 2010-2035 vervallen overgangsbepalingen uit het Reglement Onderzoek Schepen Rijn (ROSR) en de Richtlijn 2006/87/EG. Dit betekent dat na deze periode alle binnenvaartschepen aan de bepalingen moeten voldoen. Geconstateerd is dat er knelpunten zijn. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft onderzoeksbureau K plus V opdracht gegeven om te onderzoeken in hoeverre aan de bepalingen kan worden voldaan, tot welke kosten dit leidt en of er alternatieven zijn en welk veiligheidsniveau deze bieden tegen welke kosten.
 
In de eerste fase van het onderzoek hebben diverse partijen, waaronder ook het CBRB, input gegeven aan een inventarisatie van de overgangsbepalingen en te verwachten knelpunten.
In de tweede fase van het onderzoek is op basis van deze informatie een selectie gemaakt. Een achttal bepalingen, waarvan gesteld werd dat ze technisch onuitvoerbaar zijn, onevenredig veel kosten en waarvan nut en de noodzaak ter discussie staan, zijn in verdiepingstudies onder de loep genomen. Bij deze studies werd, samen met technische experts van het betreffende vakgebied, op basis van een risicoanalyse naar een oplossingsrichting gezocht. Hoe hoger het risico hoe meer naleving wenselijk wordt geacht. Het analysekader is grote lijnen:
Hoog risico / lage kosten Hoog risico / hoge kosten
Laag risico / lage kosten Laag risico / hoge kosten

Laag risico / lage kosten

  • Non-kwestie;
  • Naleving bevorderen;
  • Mogelijk in voorkomende gevallen niet voor familiebedrijven.
Hoog risico / lage kosten
  • Communicatie nut en noodzaak;
  • Interpretatie van de eisen verhelderen.
Laag risico / hoge kosten
  • Overlegbepaling voor een meer generiek beroep op de hardheidsclausule;
  • Een alternatief toestaan;
  • Mogelijk in voorkomen de gevallen niet voor familiebedrijven.
Hoog risico / hoge kosten
  • Kritieke bepalingen;
  • Beroep op hardheidsclausule alleen als aangetoond wordt hoe de veiligheid geborgd wordt;
  • Onevenredig hoge kosten in relatie met risico wat te bestrijden is.

Naar boven



Richtlijn strafvordering tarieflijst waterzaken binnenvaart

Op 16 december 2010 is de ‘Richtlijn voor strafvordering waterzaken binnenvaart’ in de Staatscourant gepubliceerd. Deze Richtlijn is op 1 januari 2011 in werking getreden.
Zoals in het artikel ‘Boetecatalogus Binnenvaartwet’ elders in deze Nieuwsbrief te lezen is, heeft in 2010 een verschuiving plaats gevonden van straf- naar bestuursrecht bij handhaving van de Binnenvaartwet (BVW). Strafrecht wordt alleen nog toegepast bij:

  • Gevaar voor de openbare orde en veiligheid;
  • Vaarbewijsgerelateerde overtredingen;
  • Gebruik van een schip terwijl het gebruik is onderbroken.

Met het oog op eenheid in het strafvorderingsbeleid van de regelgeving zijn tarieven vastgesteld in de ‘Richtlijn voor Strafvordering waterzaken binnenvaart’. Het gaat dan over meer voorkomende overtredingen van een aantal die strafrechtelijk gehandhaafd kunnen worden in de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, het Rijnvaartpolitiereglement en de Binnenvaartwet.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mevrouw L.M.E. (Lijdia) de Groot.

Naar boven



VIHB-regeling

In de afgelopen 10 jaar is er veel gesteggeld over de afvalstoffenregeling. In 2004 kwam de verplichte VIHB-lijst, de lijst voor alle vervoerders, inzamelaars, handelaren en bemiddelaars die zich bezighouden met bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen. De stichting NIWO (Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie) is verantwoordelijk voor de registratie en de daarbij gestelde eisen om op deze VIHB-lijst te staan.
Er moet aan drie criteria worden voldaan om vermeld te worden op de VIHB-lijst.

De criteria voor de VIHB-lijst

  1. Kredietwaardigheid- 18.000 euro eigen vermogen
  2. Vakbekwaamheid- vervoersvergunning (of vakdiploma afvalstoffen)
  3. Betrouwbaarheid- Verklaring Omtrent Gedrag (VOG)

In de binnenvaart is het soms moeilijk om aan één of meerdere van deze criteria te voldoen. Bovendien brengen de criteria ook een hoop administratieve lasten en kosten met zich mee, door bijvoorbeeld een accountantsverklaring van het eigen vermogen (criterium kredietwaardigheid).

Om de administratieve lasten bij zowel de binnenvaart als de overheid te verminderen, worden er verschillende voorstellen gedaan naar de Staatssecretaris Atsma van Infrastructuur & Milieu om de eisen van de VIHB-lijst aan te passen. Het CBRB en Kantoor Binnenvaart waren aanwezig bij de evaluatie van de criteria van de VIHB-lijst op het ministerie.

Zo is er het idee bij het ministerie van Infrastructuur & Milieu om de kredietwaardigheid in z’n geheel af te schaffen. Dit betekent dat de schipper geen eigen vermogen van 18.000 euro meer hoeft te hebben. De jaarrekening die u toch opstelt voor de Belastingdienst, zal ook gebruikt worden voor de vermelding op de VIHB-lijst.

Op het gebied van betrouwbaarheid zal de VOG ook komen te vervallen. Deze zal alleen nodig zijn bij de eerste aanvraag voor de vergunning om op de VIHB-lijst te komen. Wel heeft het ministerie aangegeven meer te zullen handhaven en dat zware milieudelicten harder worden gestraft. Er zal op den duur nog aangegeven worden wat de grenzen zijn van overtreding, zodat het voor de vervoerder en voor de handhaver duidelijk is wat mag en wat niet mag.

Er is het idee om bij het ministerie van Infrastructuur & Milieu een brief te sturen, mede namens het bedrijfsleven, naar de Europese Commissie om actie te ondernemen voor wederzijdse erkenning tussen Lidstaten van de afvalregels.

De voorstellen worden naar de Staatssecretaris van Infrastructuur & Milieu, de heer Atsma, gestuurd en binnenkort zal bekend worden of de administratieve lasten en de kosten voor de binnenvaart verminderen door deze voorstellen. Het woord is nu aan de Staatssecretaris.

Naar boven



Richtlijn voor Strafvordering varen onder invloed

Op 16 december 2010 is de ‘Richtlijn voor Strafvordering varen onder invloed’ in de Staatscourant gepubliceerd. Deze is naar aanleiding van een wetswijziging van 24 juli 2010 van artikel 27, tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet herzien. In dit artikel is de maximaal toegestane alcoholconcentratie in de uitgeademde lucht verlaagd van 350 µg/l naar 220 µg/l; het toegestane maximum alcoholconcentratie in het bloed is verlaagd van 0,8 ‰ naar 0,5 ‰.
De wet- en regelgeving op de Nederlandse binnenwateren verschilt per water. Op de internationale Rijn (grosso modo de Rijn, het Pannerdensch Kanaal, de Lek en de Waal) geldt bijvoorbeeld een ander regime dan op de overige scheepvaartwegen. Tegen varen onder invloed op de internationale Rijn wordt – op grond van de Herziene Rijnvaartakte/Akte van Mannheim – opgetreden op basis van het Rijnvaartpolitiereglement 1995; tegen varen onder invloed op de overige scheepvaartwegen wordt opgetreden op basis van de Scheepvaartverkeerswet.

Tot voor kort liepen de alcohollimieten in het Rijnvaartpolitiereglement 1995 en de Scheepvaartverkeerswet uiteen. Met voornoemde wijziging van de Scheepvaartverkeerswet is de limiet geharmoniseerd; zowel op de internationale Rijn als op de overige binnenwateren geldt nu een maximaal toegestane alcoholconcentratie in de uitgeademde lucht, respectievelijk in het bloed van 220 µg/l, respectievelijk 0,5‰. In deze richtlijn is voor het strafvorderings- en transactiebeleid ten aanzien van varen onder invloed op de internationale Rijn aansluiting gezocht bij het beleid voor varen onder invloed op de overige wateren (regime Scheepvaartverkeerswet). De Herziene Rijnvaartakte maakt echter dat het laatstgenoemde regime niet altijd onverkort kan worden toegepast ten aanzien van overtredingen op de internationale Rijn.
In deze richtlijn zijn het strafvorderings- en transactiebeleid bij varen onder invloed vastgelegd. De factoren die in deze richtlijn de grondslag vormen voor het strafvorderings- en transactiebeleid zijn:

  • het adem(/bloed)alcoholgehalte (AAG/BAG);
  • schade en/of letsel toegebracht aan derden;
  • de gevaarzetting;
  • het soort schip;
  • de recidive;
  • de draagkracht.
Als strafverzwarende omstandigheden gelden:
  • Recidive: recidive binnen 5 jaar na betaalde transactie dan wel onherroepelijke veroordeling ter zake van een soortgelijk delict (relevante artikelen Scheepvaartverkeerswet, dan wel relevante artikelen Rijnvaartpolitiereglement);
  • Gevaarzetting;
  • het veroorzaken van een ongeval waarbij meer dan lichte schade en/of meer dan licht letsel dan wel zwaar letsel aan derden is toegebracht;
  • het in ernstige mate in gevaar brengen van de veiligheid op het water. Bijvoorbeeld samenloop met andere ernstige feiten;
  • Soort schip. Het varen met:
    • een schip, bestemt of gebruikt voor het vervoer van beseinde (kegelplichtige) gevaarlijke stoffen;
    • een passagiersschip;
    • een ‘snel schip’;
    • een loodsplichtig zeeschip.

In de bijlage bij de richtlijn is in een tabel aangegeven welke boete, taak- of gevangenisstraf in welk geval gegeven kan worden.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mevrouw L.M.E. (Lijdia) de Groot.

Naar boven



Brede steun Parlement voor Innovatieagenda maritieme sector

De fractiewoordvoerders van PvdA, CDA en VVD ondersteunen de ambitie van de maritieme sector om tot de wereldtop te behoren. De Kamerleden lieten zich voor een omvangrijk gehoor voorlichten over de economische stand van zaken in de maritieme cluster. Zij spraken allen steun uit voor de ambitie van de maritieme cluster zich te kwalificeren als economisch topgebied.
De bijeenkomst was een initiatief van de Maritime Innovation Council. Voorzitter Sjef van Dooremalen benadrukte dat de sector samen met de politiek wil investeren in oplossingen voor maatschappelijke problemen. Speerpunten zijn transport, duurzaamheid, concurrentie, veiligheid, energie en grondstoffen. Naast gezamenlijke aanpak van deze thema’s vraagt de cluster een actieve overheidsrol bij de transitie van onderzoek naar toepassing en bij het stimuleren van samenwerking tussen bedrijven onderling en met de kennisinstellingen. Nadrukkelijk werd gesteld dat specifiek beleid nodig is om de ambities te kunnen verwezenlijken. Hiertoe gevraagd door moderator Maria Henneman, antwoordde mevrouw Afke Schaart (VVD) dat de topgebieden moeten worden gekoesterd en maritiem tot nu toe onderbelicht is gebleven. Onze positie in de wereld moet worden gehandhaafd door een proactief en resultaatgericht handelsbeleid. Mevrouw Gerda Verburg (CDA) roemde de bundeling van krachten door de cluster. De focus en timing van de maritieme cluster en de ambitie om kennis toepasbaar te maken dwingen respect af. Haar partijgenoot Pieter Omtzigt pleitte voor een duidelijke keuze waar we goed in zijn en daagde de sector uit nog specifieker aan te geven waar gericht beleid voor nodig is. Hij gaf aan dat de maritieme sector een basis vormt voor andere economische sectoren. Mevrouw Sharon Dijksma (PvdA) zei met een loep te moeten zoeken naar geld voor innovatie-investeringen en hield een pleidooi voor consistente ondersteuning van de maritieme sector als grote werkgever. Na de eerste reacties volgde een discussie over specifiek versus generiek beleid. Mevrouw Dijksma bepleitte tijdens deze discussie een duidelijke keuze voor specifiek beleid. ‘Put your money where your mouth is’, aldus de politica.
 
De vertegenwoordigers van het maritieme bedrijfsleven zegden toe bij te willen dragen aan de formulering van de eerste contouren van het nieuwe bedrijfslevenbeleid. Concrete suggesties zullen worden gedaan voor thema’s waarin gezamenlijk kan worden geïnvesteerd, zoals in regelgeving, onderwijs, onderzoek en internationaal handels- en vestigingsbeleid.
 
Klik hier voor de publicatie 'Nederland: De Maritieme Wereldtop' ().
 
Initiatiefnemers van de agenda zijn: Maritiem Kennis Centrum, CBRB (binnenvaart), IRO (offshore), KVNR (zeevaart), Scheepsbouw Nederland (scheepsbouwindustrie), Haven Amsterdam en Havenbedrijf Rotterdam. Bij de uitwerking van de thema’s worden tevens aanpalende sectoren zoals jachtbouw, waterbouw en visserij betrokken.
 
Bron: Persbericht MIP (Martiem Innovatie Programma) & Scheepsbouw Nederland

Naar boven


Belang brandstofclausule en CBRB-gasoliecirculaire

De oliemarkt reageert nerveus op de gebeurtenissen in het Midden-Oosten. De brandstofprijzen stijgen enorm. Het belang van het opnemen van een brandstofclausule in de vervoersovereenkomsten is hiermee weer eens duidelijk geworden. De gasoliecirculaire van het CBRB registreert al meer dan 30 jaar de prijswijzigingen van de gasolie en is een veelvuldig gebruikte referentie voor te maken afspraken.

De brandstofkosten maken in de binnenvaart een substantieel deel uit van de exploitatiekosten. Afhankelijk van het vaargebied varieert dit van 10,4 tot 35,5 procent.

Schommelingen van de brandstofprijs kunnen dan ook grote consequenties hebben wanneer er geen afspraken zijn gemaakt en geen brandstofclausule is overeengekomen.

De in de CBRB-gasoliecirculaire genoemde gasolieprijs wordt in toenemende mate en tot ver over de landsgrenzen in de vervoerscontracten genoemd als de referentie voor contractbepalingen met betrekking tot fluctuaties van de gasolieprijs. Op basis van de opgave van de adviesprijzen van de grote gasolieleveranciers wordt er voortdurend door het CBRB volgens een beproefde formule een gemiddelde adviesprijs vastgesteld.
Een abonnement op de gasoliecirculaire is voor leden van het CBRB gratis, niet-leden betalen 230 euro per jaar. Zie ook: http://bit.ly/gapt3r

Naar boven

 


 

Energielijst 2011 gepubliceerd

Financieel voordeel voor investeringen in energiebesparing en duurzame energie

Het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie wil investeringen in energiebesparing en duurzame energie stimuleren. Deze regeling verkort de terugverdientijd van dergelijke investeringen. De EIA (Energie-investeringsaftrek) is een fiscale regeling die valt onder de verantwoordelijkheid van de ministers van Financiën en Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Met de EIA kunt u 41,5 procent van de investeringskosten aftrekken van de fiscale winst. Het directe financiële voordeel is afhankelijk van het belastingpercentage; het bedraagt ongeveer 10 procent van de goedgekeurde investeringskosten. De EIA kunt u toepassen naast de ‘gewone’ investeringsaftrek. Het budget voor 2011 is 151 miljoen euro.
 
240611 Energiebesparend roerensysteem
Bestemd voor: weerstandsvermindering van binnenvaartschepen, en bestaande uit: 3-roerensysteem per schroef waarbij het kleine middenroer is geplaatst op de hartlijn van de schroefas, (eventueel) mechanisme voor roerverdraaiing, (eventueel) hydraulische cilinders. Toelichting: Van de hydraulische installatie van de roeren komen alleen de hydraulische cilinders in aanmerking.
 
240612 [W] Energiezuinige scheepsmotor
Bestemd voor: de voortstuwing van een bestaand binnenvaartschip, met een nominaal motorvermogen van ten minste 250 kW, en bestaande uit: scheepsdieselmotor, waarvan het brandstofverbruik minder bedraagt dan 198 g/kWh, gemeten volgens norm NEN-ISO 3046-1:2002. Het maximum investeringsbedrag dat voor Energie-investeringsaftrek in aanmerking komt is € 125/kW nominaal vermogen.
Toelichting: De energiezuinige scheepsmotor komt alleen in aanmerking bij vervanging van een scheepsmotor in een bestaand binnenvaartschip. Scheepsmotoren in nieuwe binnenvaartschepen zijn uitgesloten. Alleen de hoofdmotor voor de voortstuwing van het binnenvaartschip komt in aanmerking en niet de motoren voor boegschroeven en andere toepassingen.
 
240801 Systeem voor benutting van afvalwarmte1 op een binnenvaartschip
Bestemd voor: het uitkoppelen bij de bron en het transporteren van afvalwarmte op een binnenvaartschip, en bestaande uit: warmtewisselaar bij de afvalwarmtebron, (eventueel) afvalwarmtetransportleiding, (eventueel) buffervat, exclusief warmtedistributienet en verwarmingsnet.
 
240910 Geautomatiseerd routeplanningssyteem voor binnenvaartschepen
Bestemd voor: het minimaliseren van het brandstofverbruik van een binnenvaartschip, en bestaande uit: een geautomatiseerd routeplanningssysteem dat de snelheid van het schip aanpast aan de vaaromstandigheden en aan het gewenste aankomsttijdstip.
 
241210 [W] Spudpaal
Bestemd voor: het stilleggen van bestaande binnenvaartschepen, en bestaande uit: spudpaal.
Het maximum investeringsbedrag dat voor Energie- investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt 20.000 euro per spudpaal. Toelichting: Een spudpaal komt alleen in aanmerking bij een bestaand binnenvaartschip.
Spudpalen bij nieuwe binnenvaartschepen zijn uitgesloten.
 
241211 [W] Hydrodynamische ankerkluizen en ankers
Bestemd voor: het verlagen van de vaarweerstand van een binnenvaartschip, en bestaande uit: anker, ankerkluis Het maximumbedrag dat voor dat voor Energie-investeringsaftrek in aanmerking komt, bedraagt 20.000 euro per combinatie van anker en ankerkluis. Toelichting: Het betreft een anker die in ingetrokken toestand het kluisgat volledig afdicht en één geheel vormt met de huid van het schip.
 
241212 Verlenging van een bestaand binnenvaartschip
Bestemd voor: het efficiënter vervoeren van lading met een bestaand binnenvaartschip, en bestaande uit: een constructie die tussen delen van de romp wordt gevoegd waardoor het laadvermogen van het schip wordt vergroot.
 

Naar boven

 


 

Beperking ontmoeten en voorbijlopen Geldersche IJssel

In de Staatscourant van 1 maart 2011 is een verkeersbesluit gepubliceerd waarmee het op bepaalde gedeelten van de Geldersche IJssel voor bepaalde schepen het verboden wordt om elkaar te ontmoeten of voorbij te lopen. Het besluit geldt voor schepen breder dan 9,50 meter en langer dan 80 meter. Op de volgende locaties van de Geldersche IJssel is het ontmoeten en voorbijlopen verboden:
  1. Velp tussen km 883,490 en km 884,335
  2. Koppenwaard tussen km 885,900 en km 886,730
  3. De Steeg tussen km 890,200 en km 891,165
  4. Olburgen tussen km 905,180 en km 911,085
  5. Brummen tussen km 919,450 en km 921,500
  6. Nijenbeek tussen km 934,340 en km 935,555
  7. Fortmond tussen km 960,035 en km 960,550
  8. Zalk tussen km 984,400 en km 985,000
De gehele publicatie: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2011-3433.html

De motivatie voor het genomen besluit is ons niet bekend. Een ontmoetingsverbod op deze 8 plaatsen zal zeker consequenties hebben bij het gebruik van deze vaarweg. Samen met de collega’s van Koninklijke Schuttevaer zal dan ook bezwaar worden gemaakt.
 
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mevrouw L.M.E. (Lijdia) de Groot en /of mevrouw L. (Leny) van Toorenburg van Koninklijke Schuttevaer.

Naar boven

 


 

Overleg Binnenvaart met Havenbedrijf

Op 17 januari jl. heeft er een overleg plaats gevonden tussen de Werkgroep Binnenvaartbelangen Rotterdam (WBR) en het Havenbedrijf Rotterdam N.V. (HbR). Er is ondermeer gesproken over de ontwikkeling van stadhavens, de resultaten van de spudpalen-enquête, het Binnenhavengeldbeleid en de Botlekbrug.

 
Ontwikkeling stadshavens
Het Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam (OBR) (http://www.rotterdam.nl/ontwikkelingsbedrijf) geeft stand van zaken van de ontwikkeling stadshavens weer. Het standpunt van OBR is, dat zij alleen die haven(bekkens) overnemen van het HbR, die geen commercieel havenbelang hebben. Dit betekent, dat kades waar overslag plaatsvindt, onder beheer van het HbR blijven.
 
Spudpalen-enquête
Het HbR presenteert enquêteresultaten over de gewenste extra spudpalen-locaties in de haven. Er was een zeer teleurstellende respons van 11! Om de gewenste informatie op tafel te krijgen wordt besloten dat het HbR met een vertegenwoordiging uit de binnenvaartsector om de tafel gaat. Doel van dat overleg is, om extra mogelijkheden voor het gebruik van spudpalen in de haven te bepalen. Inmiddels is dit op constructieve wijze opgepakt.
 
Binnenhavengeldbeleid
Er zijn een aantal veranderingen in 2011 doorgevoerd. Er is 1 procent indexatie en 3 procent herstelkorting toegepast. De SAB-bijdrage van 5 procent is afgeschaft. Schippers kunnen extra korting van 2 procent krijgen voor alle facturen als zij gebruik maken van Webopgave. Daarnaast is de bezwaarprocedure aangepast naar 30 dagen om bezwaar te maken op facturen.
 
Er wordt aan een nieuw binnenhavengeldbeleid gewerkt. Hierbij wordt veel aandacht besteed aan de randvoorwaarden zoals inzichtelijk maken van de factuur voor zowel HbR als schipper, individuele regelingen en gebruiken van de hedendaagse technieken voor opgave- en betaalproces. Onderzoek naar de mogelijkheden, bijvoorbeeld gebruik maken van AIS loopt. Hiervoor zal een pilot opgestart worden.
 
Opgave binnenhavengeld via Portbase is een samenwerking tussen de havens van Moerdijk, Dordrecht, Amsterdam en Rotterdam. De wijze van opgave doen zal in deze havens gelijk zijn, het tariefbeleid en de tarieven zal verschillend blijven.
 
Per 1 juli 2011 valt de haven van Dordrecht onder het beheer van het Havenbedrijf Rotterdam N.V. Vanaf dat moment wordt de heffing en inning van het binnenhavengeld in deze zeehavens ook door het Havenbedrijf Rotterdam N.V. uitgevoerd.
 
Botlekbrug nieuw en oud
In verband met het MAVA-traject zal o.a. de A15 onder handen genomen worden. Zie ook http://www.rotterdamvooruit.nl/a15-mava.
De A15 zal worden verbreed. Tevens is een onderdeel van dit traject het vervangen van de Botlekbrug. De planning van de aannemer is om eind 2014/begin 2015 de nieuwe brug op zijn plaats te hebben. Daarna wordt de oude brug verwijderd.
Om de gevolgen van de werkzaamheden op de A15 op te vangen en de doorstroming van het wegverkeer ter plaatse te bevorderen, wordt door het HbR op aangeven van de Verkeersonderneming overwogen om het aantal openingen voor de scheepvaart tijdens de spits van de oude Botlekbrug te beperken. Er zal geen sprake zijn van een totale stremming. In de directeurenoverleggen wordt dit onderwerp met de branche besproken. Vervolgens worden de vervolgstappen met branchevertegenwoordigers in dit verband bepaald.
 
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mevrouw L.M.E. (Lijdia) de Groot.

Naar boven

 


 

Onduidelijkheid over reactivering VERS-regeling

Voorafgaande aan het laatste Algemeen Overleg luchtkwaliteit in de Tweede Kamer heeft het CBRB, Kantoor Binnenvaart en Koninklijke Schuttevaer een gezamenlijke brief verzonden naar de relevante vertegenwoordigers van de verschillende politieke partijen waarin voor een reactivering van de VERS-regeling (De Subsidieregeling dieselmotoren voor binnenvaartschepen (VERS)) wordt gepleit. Na een evaluatie heeft de voormalige Staatssecretaris mevrouw T. (Tineke) Huizinga-Heringa besloten dat het niet wenselijk was om deze regeling na 2010 te continueren.

Het CBRB kon zich niet vinden in de conclusie die het ministerie uit deze evaluatie getrokken had om de regeling gedurende ten minste twee jaar niet te continueren. De teleurstellende reductiecijfers welke door de regeling zijn gerealiseerd, waren in onze ogen toe te schrijven aan een aantal factoren waaronder:

  1. Het uitblijven van internationale CCRIII-eisen waardoor er sinds juli 2007 alleen nog maar subsidie kon worden gegeven aan roetfilters en katalysatoren. Vanuit Nederland was er nagenoeg geen druk uitgeoefend om uit de impasse te komen welke is ontstaan tussen de CCR (Centrale Commissie voor de Rijnvaart) en de EU, waardoor tot op heden nog steeds geen officiële emissienormering voor motoren na 2012 bekend zijn. Roetfilters en katalysatoren zijn technieken welke nog steeds relatief nieuw voor de motoren in de binnenvaart zijn en welke ondanks de bestaande subsidie een substantiële investering voor de ondernemers betekent. Dit verklaart in onze ogen de relatief kleine groep schepen die gebruik hebben gemaakt van dergelijke technieken.
  2. Een derde aspect betreft de beschikbaarheid van zwavelvrije brandstof. Omdat regelgeving inzake zwavelvrije brandstof pas per 1 januari 2011 van kracht werd, was het relatief moeilijk om voor die tijd aan deze brandstof te komen. Zwavelvrije brandstof is vereist om relatief goedkopere echter zeer doelmatige roetfilters te kunnen gebruiken. Nu deze brandstof er komt zal in onze ogen de ontwikkeling in een stroomversnelling kunnen geraken en is een subsidieregeling van groot belang.
  3. Een vierde reden is de duurzaamheid van binnenvaartmotoren. Ondanks subsidie is het nog steeds zeer kostbaar om voor de technische levensduur de motor te vervangen door een moderne CCRII-motor.

Het is aannemelijk dat de zeehavens in Nederland een toeslag op de binnenhavengelden zullen doorvoeren voor die schepen die geen emissienorm kunnen realiseren welke gelijk is aan CCR fase II - 97/68/EG. In 2025 zouden de nationale zeehavens voornemens zijn deze schepen de toegang tot de havens te ontzeggen – beleidsbrief duurzame zeehavens. De Rotterdamse regio kent immers een overschrijding van PM10 en NOx op bepaalde locaties. Het stopzetten van de VERS-regeling maakt het zeer moeilijk om de aanzienlijke hoeveelheid schepen (circa 70-80 procent van de vloot) welke nodig zijn om Maasvlakte II te bedienen op tijd te voorzien van CCRII- motoren. Dit mede gelet op het modal shift beleid van de zeehaven naar maar liefst 45 procent.

Tijdens het Algemeen Overleg luchtkwaliteit in februari 2011 stelde de heer A. (Arie) Slob van de Christen Unie gericht vragen aan de huidige minister mevrouw M. (Melanie) Schultz van Haegen. De reactivering van de VERS-regeling dit jaar werd door haar toegezegd. Bij navraag bij de beleidsmedewerkers op het ministerie gaat het echter over een reeds met het ministerie besproken waakvlamregeling, Milieu Prestatie Contracten. Deze regeling is gebaseerd op het Innovatie Prestatie Contracten en waarmee een bedrag van 3,5 mln. euro voor de komende jaren mee is gemoeid. MKB-ondernemers kunnen via een penvoerder subsidie aanvragen voor het uitvoeren van een IPC-project. In een IPC-project werken 10-20 MKB-ondernemers, die niet met elkaar in een groep verbonden zijn, over een periode van maximaal twee jaar aan collectieve- en aan 'eigen' innovaties. Ze worden hierbij begeleid door een penvoerder. Voor meer informatie over de IPC-regeling, welke 3 maart jl. gepubliceerd is in de Staatcourant, klik hier(). Met een VERS-regeling, zoals de sector deze voor ogen had en welke ook het hart vormt van de Luchtovereenkomst Maasvlakte II, zou een veel substantiëler bedrag gemoeid moeten zijn. Ondanks het feit dat het CBRB de MPC-regeling zeer waardeert, zullen we ons als sector in moeten blijven zetten voor de bewustwording in Den Haag, waardoor niet alleen de verplichtingen van het bedrijfsleven overeind blijven staan maar dat ook de verplichtingen van de verantwoordelijke partijen van de overeenkomst lucht Maasvlakte II.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met de heer ing. R. (Robert) Tieman DGSA.

Naar boven

 


 

ADN Handboeken 2011 - 2012 nu leverbaar

Het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Europese binnenwateren voldoet aan de strengste normen. De basisvoorschriften voor de bouw- en uitrusting van de schepen, de opleiding van de bemanning en de verdeling van de verantwoordelijkheden in de vervoersketen zijn vastgelegd in de reglementering van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de binnenwateren. Op 1 januari 2011 is het ADNR vervangen door het ADN. Met deze aanpassingen streeft de overheid naar een verdergaande harmonisering van de Internationale gevaarlijke stoffen wetgeving voor de verschillende modaliteiten en worden aanpassingen van bepalingen aan de stand der techniek en de verduidelijking van bepaalde voorschriften doorgevoerd.

 
GDS Europe B.V. geeft in samenwerking met het CBRB de mogelijkheid de ADN 2011 handboeken aan te schaffen. Verder is er ook een softwareprogramma zodat u in de wetgeving kunt zoeken. U kunt kiezen uit verschillende bestelmogelijkheden. De keuze is aan u.
U kunt het ADN eenvoudig bestellen door hier te klikken.

Naar boven

 


 

CBRB Themabijeenkomst op 10 mei 2011 ‘Het CAO-debat’

Een algemeen verbindend verklaarde bedrijfstak-CAO is in de binnenvaart niet meer mogelijk, de verplichte deelname aan de pensioenregeling komt over twee jaar te vervallen en de activiteiten van de Stichting CAO Binnenscheepvaart en het Onderwijs Centrum Binnenvaart kunnen op termijn niet meer worden gefinancierd.
 
Dit zijn de belangrijkste gevolgen van het feit dat te weinig werkgevers in de binnenvaart lid zijn van een werkgeversorganisatie.
Tijd dus om een fundamentele keuze aan de orde te stellen: nemen we daar genoegen mee of gaan werkgevers in de binnenvaart zich beter organiseren? Nemen wij onze verantwoordelijkheid voor collectieve arbeidsvoorwaarden en sociale regelingen in de bedrijfstak of doen wij dat niet?
 
Om de aandacht op dit vraagstuk te vestigen organiseert het CBRB op 10 mei 2011 - bij de opening van de vakbeurs Construction & Shipping Industry (C&SI) in Gorinchem - een interactief debat onder leiding van de heer G.D. Weenink van de DebatAcademie. De bijeenkomst wordt ingericht als een 'Lagerhuisdebat', waarin de deelnemers hun mening geven over gepresenteerde stellingen en proberen elkaar te overtuigen.
 
Samen met Kantoor Binnenvaart hopen wij zoveel mogelijk ongeorganiseerde werkgevers te interesseren voor deze discussie. De te lage organisatiegraad van werkgevers wordt door beide organisaties gezien als een grote uitdaging die snel moet worden aangepakt.
Vanzelfsprekend worden ook de leden van CBRB en KB uitgenodigd.
 
De bijeenkomst vindt om 11.00 uur plaats in de Evenementenhal te Gorinchem; aansluitend wordt een lunch aangeboden.
Deelname is gratis. Deelnemers worden verzocht zich via de CBRB-website te registreren.

Naar boven

 


 

Vergadering CBRB OPTO en aansluitend EBIS Scheepseigenarenbijeenkomst Nederland/België

Binnenkort organiseert de IVR in opdracht van het EBIS - Managementcomité een bijeenkomst waarbij de ondernemers in de binnentankvaart en/of hun vertegenwoordigers uitgenodigd zijn om met leden van het Managementcomité over EBIS en de inspecties van gedachten te wisselen. Deze bijeenkomsten hebben hun nut in het verleden reeds bewezen. Het CBRB wil de vertegenwoordigers van de relevante tankvaartondernemingen uitnodigen voor deze bijeenkomst. Voorafgaand zal er een vergadering plaatsvinden van de CBRB Overleggroep Particuliere Tankvaartondernemers (OPTO). Het centrale thema zal zijn: “stabiliteit van tankschepen”.

Deze bijeenkomst zal plaatsvinden op:

Donderdag 21 april 2011 om 15.30 uur
"Cultureel Centrum Landvast"
Haven 4, 2951 GC Alblasserdam


De zaal kent 75 zitplaatsen. Wij verzoeken u derhalve zich te registreren voor deze vergadering via: www.cbrb.nl/tankvaart
Tevens kunnen aanmeldingen ook telefonisch gedaan worden via het secretariaat telefoon: 010 - 798 98 00.

Naar boven

 


 

Arie Kraaijeveld benoemd als voorzitter Transitiecomité

Arie Kraaijeveld is benoemd tot voorzitter van het Transitiecomité Binnenvaart door minister Schultz van Haegen van Infrastructuur en Milieu. Het comité gaat aan de slag met de aanbevelingen uit het advies van binnenvaartambassadeur, Arie Verberk. Hij heeft tien actiepunten geformuleerd voor de aanpak van de gevolgen van de economische crisis in de binnenvaart.
Het Transitiecomité gaat eind maart van start en presenteert voor de zomer een plan van aanpak over de wijze waarop de aanbevelingen van de ambassadeur binnen drie jaar uitgevoerd kunnen worden en welke partijen daarbij aan zet zijn.
Het comité, onder leiding van Kraaijeveld, bestaat verder uit de voorzitters van de Koninklijke Schuttevaer, Kantoor Binnenvaart en het CBRB.
 
Arie Kraaijeveld (1943) is voorzitter van het Innovatieplatform Twente, en voorzitter van de Raad van Toezicht van het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium. Van 2005 tot eind 2010 was hij voorzitter van het Netherlands Water Partnership. Daarvoor was hij van 1998 tot 2004 voorzitter van metaalwerkgeversorganisatie FME.
De binnenvaartambassadeur heeft eind 2010 geconcludeerd dat de vooruitzichten voor de binnenvaart voor de lange termijn zeer positief zijn. Dit komt door de capaciteit van de vaarwegen, de duurzaamheid van de binnenvaart en de groei in ladingstromen. De sector weet deze mogelijkheden echter slecht te benutten door een gebrek aan professionaliteit en onvoldoende samenwerking. De binnenvaartambassadeur heeft daarom tien actiepunten geformuleerd die moeten zorgen voor een versterking van de structuur van de binnenvaartsector en de sector daarmee minder gevoelig moeten maken voor de conjuncturele schommelingen.
 
Bron: ministerie I&M

Naar boven

Ga naar boven