De Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) staat voor het eerst het gebruik van vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof in de binnenvaart toe door middel van een aanbeveling in het kader van het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn: een mijlpaal voor een veilige, milieuvriendelijke en economische binnenvaart
De CCR heeft op zaterdag 21 januari 2012 via een gedetailleerde aanbeveling de exploitatie van het motortankschip “Argonon” van de Nederlandse rederij Deen Shipping toegelaten, dat vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruikt. Dit is de eerste keer dat het gebruik van LNG als brandstof in de binnenvaart wordt toegestaan.
De aankondiging van het project “Argonon” in februari 2011 heeft, aangezien deze materie onder de beslissingsbevoegdheid van de CCR valt, de procedure in gang gezet die tot de aanbeveling heeft geleid om LNG als brandstof in de binnenvaart toe te laten. Binnenkort zullen andere binnenschepen die LNG als brandstof gebruiken in de vaart worden genomen.
De werkgroep Reglement van Onderzoek van de CCR heeft in de afgelopen maanden een diepgaand onderzoek ingesteld naar het specifieke risicopotentieel dat van deze brandstof uitgaat en de enorme vooruitgang die deze “schone” technologie voor het milieubeleid kan inhouden. De CCR is in nauwe samenwerking met het scheepvaartbedrijfsleven, de scheepsbouwindustrie en de classificatiebureaus tot een beslissing gekomen die de ontwikkeling van de binnenvaart zal stimuleren, zonder echter de veiligheid en de goede afhandeling van de scheepvaartverkeer nadelig te beïnvloeden.
Het motortankschip “Argonon” heeft op basis van deze aanbeveling, die overeenkomstig artikel 2.19, derde lid van het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn (ROSR) is gedaan, de toestemming gekregen om tot en met 30 juni 2017 van de voorschriften van artikelen 8.01, derde lid en 8.05, eerste, zesde, negende, elfde en twaalfde leden af te wijken. Het gebruik van LNG wordt als veilig aangemerkt voor zover aan de voorwaarden uit de aanbeveling van de CCR wordt voldaan. Deze voorwaarden houden verband met de specifieke gevolgen van het gebruik van deze brandstof voor de bouwwijze en de classificatie van het schip en resulteren in een strikte regeling met betrekking tot de regelmatig uit te voeren inspecties en revisies van het LNG-voortstuwingssysteem, de bunkerverklaring en de opleiding van de bemanning. De rederij heeft bovendien de verplichting om elk jaar een evaluatie aan het secretariaat voor te leggen, die voor de feedback van de lidstaten van de CCR en de follow-up van het project bestemd is.
CBRB zeer tevreden over verkregen internationale toestemming om LNG als brandstof voor binnenvaartschepen toe te staan
Tijdens de tweejaarlijkse bijeenkomst van de ADN veiligheidscommissie van de UNECE (Economische Raad voor Europa van de Verenigde Naties) deze week in Genève is de internationale aanvraag voor de mts. Argonon van Deen Shipping goedgekeurd.
De implementatie van LNG (Liquefied Natural Gas) als brandstof geeft de volgende reducties ten aanzien van de huidige CCRII-motoren (sinds medio 2007 verplicht):
NOx : circa 85%
SO2 : circa 100%
PM10 : circa 90%
Met deze cijfers komen de emissies nagenoeg op het niveau van EURO 6, een norm die in de toekomst voor het wegtransport zal gelden. Er wordt echter ook een aanzienlijke CO2 reductie teweeg gebracht, waardoor de al lage CO2 footprint van de binnenvaart nog meer versterkt wordt en de duurzaamheid van de sector in de toekomst nog groter wordt wanneer deze technologie, maar ook initiatieven op het gebied van diesel-elektrische en waterstof voortstuwing op grotere schaal toegepast zullen worden.
Met deze toekenning is er groot succes geboekt in een discussie die gedurende een relatief korte periode op verschillende internationale podia gevoerd werd, in Brussel (gelet op de EU Richtlijn 2006/87), in Straatsburg bij de CCR (Centrale Commissie voor de Rijnvaart - Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn (ROSR)) en bij de UNECE (ADN - gevaarlijke stoffen wetgeving) waar een verzoek conform procedure van art. 1.5.3.2 formeel was ingediend, tezamen met twee andere soortgelijke projecten die op 100% LNG gaan varen. Tot op heden was het uitsluitend mogelijk dat schepen gebruik maken van een brandstof met een vlampunt >55 graden Celsius.
De kosten in de binnenvaart zijn in 2011 ten opzichte van 2010 sterk gestegen, vooral door de zeer sterk opgelopen gasolieprijs. Voor 2012 wordt verwacht dat de stijging afzwakt. Deze conclusie volgt uit de kostenrapportages die recent zijn geactualiseerd door NEA in opdracht van het Centraal Bureau voor de Rijn- en Binnenvaart.
De stijging van de brandstofkosten was +25,2% in 2011 ten opzichte van 2010. Dit kwam vooral door de sterk opgelopen prijs voor ruwe olie op de wereldmarkt en de overgang van hoog- naar laagzwavelige gasolie (naar 10 ppm). Ook de introductie in 2011 van de SAV bunkerheffing van €7,50 per 1000 liter gasolie is van invloed geweest op de kostenstijging.
2011 ten opzichte van 2010: Onder de aanname dat het aantal reizen constant is, varieert de totale kostenstijging per type schip tussen 4,4% en 12,4% in 2011 ten opzichte van 2010. De achterliggende kostenstructuur per schip is bepalend voor de totale index. De grootste kostenstijging was in 2011 te zien bij grotere schepen die veel vaaruren maken. Dit komt door de relatief sterke stijging van de brandstofkosten. Logischerwijs had de duwvaart hierdoor de grootste kostenstijging. De arbeidskosten zijn in 2011 voor de tankvaart gemiddeld met 3,2% en voor de overige deelmarkten gemiddeld met 2,7% toegenomen ten opzichte van het jaar 2010. Als gevolg van een dalende gemiddelde rentestand zijn de kapitaalkosten licht gedaald met 2,4%. De kosten voor reparatie en onderhoud zijn in 2011 voor de tankvaart met gemiddeld 1,8% en voor de overige deelmarkten met gemiddeld 2,6% gestegen. De verzekeringskosten zijn met 1,0% gestegen.
2012 ten opzichte van 2011: In 2012 wordt een lichte stijging verwacht van de exploitatiekosten. De verwachte stijging van de totale kosten ten opzichte van 2011 wordt geraamd tussen 0,4% en 2,0% afhankelijk van het type reis en type schip. Deze stijging komt voornamelijk door de hogere verwachte kosten voor arbeid. Voor 2012 wordt verwacht dat de ontwikkeling van de brandstofkosten relatief minder sterk van invloed zal zijn in vergelijking met voorgaande jaren. Het Centraal Planbureau (CPB) verwacht namelijk dat de gasolieprijzen gemiddeld met 1,4% in 2012 zullen stijgen ten opzichte van 2011. Als de brandstofkosten buiten beschouwing worden gelaten, zal naar verwachting de kostenontwikkeling in 2012 variëren tussen +0,1% en +2,1% in vergelijking met 2011. Hierbij wordt opgemerkt dat de component ‘brandstofkosten’ behoorlijk onvoorspelbaar is en sterk kan schommelen afhankelijk van de omstandigheden die de wereldwijde oliemarkt bepalen. Een groot deel van de binnenvaartondernemers werkt daarom met brandstofclausules om de risico’s te beperken.
In samenwerking met het Centraal Bureau voor de Rijn- en Binnenvaart is het volledige rapport beschikbaar gekomen. Het CBRB zal dit voor de leden ter beschikking stellen. De rapporten kunnen ook bij NEA worden besteld via internet www.nea.nl of per telefoon: 079 322 2306.
Er is een algemeen rapport waarbij er doorrekeningen zijn gemaakt voor diverse segmenten (motorvrachtvaart, duwvaart, tankvaart, containervaart, koppelverbanden). Daarnaast zijn er twee zeer gedetailleerde rapporten te verkrijgen over de tankvaart en het vervoer van zand en grind. Deze rapporten geven de kostenstructuur in absolute bedragen weer en de (verwachte) ontwikkeling voor deze beide deelmarkten. De rapporten kunnen worden gebruikt ter vergelijking ten opzichte van de eigen bedrijfssituatie. Bij het rapport over de kostenstructuur en ontwikkeling in de tankvaart wordt een cd-rom geleverd, waarmee ondernemers via een Excel-tool hun eigen kostensituatie kunnen doorrekenen en spiegelen.
In the framework of its Annual Seminar on 17 January 2012 which this time was organised in the premises of the Central Commission for the Navigation on the Rhine (CCNR) in Strasbourg, EBU celebrated its 10th anniversary. In the presence of the President of the CCNR Edwige Belliard, and Vice-President of the European Commission, Siim Kallas, EBU’s President André Auderset emphasised the result of its work in the past decade and reflected on future developments in the field of transport and mobility. The seminar was also the stage to announce EBU’s enlargement by welcoming the Luxemburg industry federation FEDIL as new member.
Over 80 participants, among whom were MEPs, Commission staff, members of EBU and industry stakeholders, participated in the seminar and the debate following a day of inland waterway events in Strasbourg, organized by both the European Federation of Inland Ports EFIP and Inland Navigation Europe INE. EBU from its very beginning has been involved in all kind of policy debates related to its various fields of activities. Ever since then EBU is closely cooperating with the various international institutions.
One of the major results of the past decade is the recently achieved sectoral agreement regarding the organisation of working time with its social partners ETF and ESO. Within the framework of this agreement the social partners have also succeeded in formulating adequate provisions with regard to seasonal work in the passenger transport industry, which is considered a major step forward! While the draft text for the working time agreement is currently under final juridical examination it is expected to be signed under the supervision of Commissioner Mr László Andor on 15 February 2012.
Mr. Auderset welcomed the Commission’s strong commitment to work on a successor of NAIADES. As the EU transport patterns are at a turning point the adequate policy framework will make or break the course towards a competitive and sustainable economy. Moving inland navigation higher on the political agenda through establishing a permanent inland navigation policy by a successor of NAIADES with adequate financial support will be one of the main elements to realise the overall European policy goals.
The Commissions’ recent TEN-T guidelines and new approach as regards the future infrastructure development is supported by EBU which called upon the Member States for their strong commitment in realising the core network and the complementary network in due time. “Inland navigation needs quality infrastructure to sail ahead” the President concluded the seminar!
Strasbourg, 17 January 2012
The European Barge Union (EBU) represents the majority of the inland navigation industry in Europe. Its members are the national associations of barge owners and barge operators of meanwhile 9 leading European inland navigation countries. EBU’s main objective is to represent the interests of the inland shipping industry at a European and international level and to contribute to the development of a sustainable and efficient European transport system.
Na tussenkomst van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) heeft het Centraal Bureau voor de Rijn- en Binnenvaart (CBRB), een branchevereniging voor de binnenvaart, haar gasoliecirculaires per 1 januari 2012 aangepast. De aanpassing voorkomt dat gebruikers van deze circulaires, een groot deel van de binnenvaartschippers, menen dat zij een afvalbeheerbijdrage integraal moeten doorberekenen in vervoersovereenkomsten met opdrachtgevers. De binnenvaartsector maakt op grote schaal gebruik van deze circulaires. De NMa heeft de zaak bekeken na een signaal van verladersorganisatie EVO.
Met de inwerkingtreding van het Scheepsafvalstoffenverdrag in 2011 zijn binnenvaartschippers verplicht om per 1000 liter gasolie een bijdrage (SAV-afvalbeheerbijdrage) te betalen voor het verwijderen van olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval van schepen. In het verdrag is bepaald dat de bijdrage gekoppeld wordt aan de levering van gasolie en niet langer aan de afgifte van het afval. In de laatste gasoliecirculaires van het CBRB is de bijdrage meegenomen in de wijzigingen van de brandstofprijs, waarmee naar buiten toe de indruk werd gewekt dat binnenvaartschippers deze toeslag integraal moeten doorberekenen.
Periodiek verspreidt het CBRB een zogenaamde gasoliecirculaire die de prijswijzigingen van gasolie weergeeft. Deze informatie is van belang voor de brandstofclausules die binnenvaartschippers opnemen in de vervoerovereenkomsten. In de clausules staat hoe contractpartijen met de risico’s van schommelingen in de brandstofprijs omgaan.
Ondernemingen dienen zelf en dus zonder bemoeienis van concurrenten of brancheverenigingen hun prijs te bepalen. Binnenvaartschippers zijn dus vrij zelf te bepalen of zij de SAV-afvalbeheerbijdrage wel, niet of slechts gedeeltelijk doorberekenen aan hun opdrachtgevers.
De NMa gaat per 1 januari 2013 samen met de Consumentenautoriteit en OPTA verder onder de naam Autoriteit Consument en Markt (ACM). De nieuwe toezichthouder wil markten laten werken om de belangen van consumenten te waarborgen. Hiertoe richt de ACM zich op drie pijlers: consumentenbescherming, sectorspecifiek markttoezicht en mededingingstoezicht.
PROTOCOL 9 Klimaatverandering en Rijnvaart Besluit
De Centrale Commissie,
verwijzend naar haar besluiten 2008-I-12, 2009-I-5 en 2009-II-8, alsmede naar de verslagen die daaraan ten grondslag liggen,
in het licht van haar streven,
de broeikasgasemissies van de Rijnvaart in overeenstemming met de in haar lidstaten beoogde vermindering van de emissies te reduceren en
de Rijn als waterweg en de logistieke ketens van de binnenvaart voor zover nodig aan te passen, zodat de Rijnvaart ook in de toekomst op betrouwbare en economisch zinvolle wijze vervoersprestaties kan leveren en daardoor een bijdrage kan leveren aan het behoud van belangrijke industriële vestigingen,
na kennis te hebben genomen van het hier bijgevoegde verslag van haar Comité Reglement van Onderzoek, Permanent Technisch Comité en Economisch Comité, stelt vast dat
de binnenvaart over het potentieel beschikt, haar broeikasgasemissies ook bij een toenemende vervoersprestatie aanzienlijk te reduceren en daardoor haar verantwoordelijkheid voor een bescherming van het klimaat na te komen,
op basis van de huidige beschikbare kennis voor de Rijn als waterweg in de nabije toekomst (tot 2050) geen eenduidige veranderingen van de waterstanden in vergelijking met de huidige toestand te verwachten zijn,
vanaf 2050 sterkere gevolgen van de klimaatverandering voor het functioneren van de infrastructurele bouwwerken en de bevaarbaarheid van de Rijn niet kunnen worden uitgesloten,
ondanks de naar mogelijkheid zeer beperkte gevolgen van de klimaatverandering tot halverwege deze eeuw de betrouwbaarheid van de binnenvaart als vervoermiddel met het oog op de sterker schommelende waterstanden, de nodige aandacht verdient,
verzoekt
haar Comité Reglement van Onderzoek, op de voorjaarszitting 2012 het aangekondigde basisverslag te overleggen en een gedetailleerd voorstel te doen voor een strategische benadering van de in de toekomst vereiste werkzaamheden,
haar Permanent Technisch Comité,
het thema klimaatverandering actief te blijven volgen en uiterlijk in 2020 een herziene versie van het onderhavige verslag aan de Centrale Commissie voor te leggen,
relevante werkzaamheden van andere internationale organisaties die zich met de klimaatverandering en de aanpassingsmogelijkheden van de binnenvaart en de waterwegen bezighouden, op de voet te volgen met het doel, informatie voor de toekomstige herziening van het onderhavige verslag bijeen te brengen,
haar Economisch Comité, betrokken te blijven bij het onderzoek dat op economisch vlak plaatsvindt, de resultaten daarvan samen met het betrokken bedrijfsleven door middel van gemeenschappelijke bijeenkomsten de evalueren en de Centrale Commissie daarover tussentijdse verslagen voor te leggen,
haar secretariaat, de door Besluit 2009-II-8 opgedragen werkzaamheden voort te zetten,
besluit, vooruitlopend op de volgende herziening van het verslag van haar Permanent Technisch Comité een conferentie te organiseren om het belang van de CCR als platform voor het thema “Klimaatverandering en scheepvaart” te onderstrepen, waarbij de resultaten van deze conferentie in het volgende verslag in aanmerking dienen te worden genomen.
Stabiliteit (19-03-2009): Alle deelnemers aan de praktijkmiddag kregen een syllabus en het boek “Scheepsstabiliteit” van Klaas van Dokkum uitgereikt. Voor degenen die niet aanwezig konden zijn op de praktijkmiddag bestaat de mogelijkheid om de syllabus en het stabiliteitsboek alsnog te bestellen.
Hoe word ik MultiModaal?
Veel ondernemers in de transportsector overwegen om hun dienstenpakket uit te breiden met meer modaliteiten. Maar ze aarzelen. Want het lijkt ingewikkeld. Spoor en binnenvaart zijn compleet andere werelden dan het wegvervoer. Nu is er een handzaam hulpmiddel dat helpt om de eerste stappen te zetten. Als lid van CBRB kunt u dit handboek aanschaffen met 25 procent korting.